Geplaatst op 3 Reacties

Carlo: ‘Dat bepaalde mensen op je pad komen, heeft een bedoeling’

Carlo Nijveen is journalist en prijst zich gelukkig met enkele goede vrienden om zich heen. Zielsverwanten noemt hij de mensen met wie hij soms al een decennialange band heeft. Hoe zeldzaam kunnen ontmoetingen eigenlijk zijn? Over deze vraag gaat Irene met Carlo in gesprek.

Doodziek

Al vroeg in zijn leven komt Carlo twee zeer bijzondere personen tegen, die hem voor altijd na aan het hart zullen liggen. ‘Op mijn negende werd ik heel erg ziek. Ik belandde in het ziekenhuis. De artsen wisten niet wat ze met mij aan moesten. Ze dachten dat het leukemie was, omdat ik niet goed reageerde op bloedtransfusies en alleen maar zieker werd. De boodschap voor mijn ouders was uiteindelijk een hard gelag:  ‘We kunnen niks meer doen, neem uw zoon maar mee naar huis.’

Eenmaal weer thuis lag ik doodziek op bed. Mijn ouders konden niets anders dan zich wanhopig voelen en elkaar aanstaren. Maar plots kwam er die ingeving, dat laatste sprankje hoop. Eerder hadden mijn ouders Rama Polderman op televisie gezien, een homeopathisch arts uit Baarn. Zo gebeurde het dat Polderman ‘s avonds werd gebeld door mijn moeder. Ze had zijn nummer gevonden in het telefoonboek. ‘Waar wonen jullie?’, vroeg hij. ‘Kortenhoef.’, was het antwoord. ‘Ik kom eraan’, zei Polderman, hoorde ik later.’

Goocheltrucs

En zo verscheen de arts, die ook verspreider van de oosterse filosofie en yoga bleek én wereldkampioen goochelen, aan bed bij de doodzieke Carlo. ‘Ik kan mij niet herinneren dat hij aan mijn bed heeft gestaan, of wat er in die periode van ongeveer twintig minuten  precies is gebeurd. Maar de navertelling van mijn ouders liegt er niet om. Die hoorden tijdens het doktersbezoek plots kindergelach uit mijn kamer komen. Daar aangekomen, zagen zij dokter Polderman op de rand van mijn bed goocheltrucjes doen.’

Na dit wonderlijke consult kon de reguliere kinderarts bij de eerstvolgende controle in het ziekenhuis bijna niet geloven dat het jongetje dat eerder zo verschrikkelijk ziek was, zo snel was hersteld en weer gezond bleek te zijn. ‘Oom Rama, want zo ben ik hem sinds de eerste ontmoeting blijven noemen, heeft de familie Nijveen daarna ook bij diverse andere medische problemen  geholpen. Van een zalfje voor nare uitslag tot zelfs het voorkomen van een operatie aan de pols van mijn vader, een bekend violist. Door middel van acupunctuur. De heling zat niet alleen in een dokterstas; ik zweer bij de helende kracht die van deze man uitging.’

Kale kop

Carlo ondergaat al op zeer jonge leeftijd meerdere ingrijpende plastisch chirurgische ingrepen. Zo wordt hij als peuter meermaals aan zijn handen geopereerd, wegens een geboorteafwijking. Op zijn vijftiende vindt een risicovolle esthetische operatie aan Carlo’s hoofd plaats. ‘Ik herinner het me goed. Ik had als gevolg van die geboorteafwijking een grote bult op mijn voorhoofd en had beslist dat ik daar vanaf wilde. Ik belandde bij dezelfde chirurg die eerder mijn handen had geopereerd (tussen mijn 2e en 5e  levensjaar). Er kleefde veel risico aan de operatie aan mijn hoofd. Aan je hoofd zitten is nogal wat. Maar ik ging ervoor. Mijn hoofd werd kaalgeschoren, ik lag 7 uur op de operatietafel en ontwaakte met een litteken van oor tot oor, over mijn schedeldak.

Het was december, kersttijd.  Op een avond kwam mijn docent Nederlands en mentor van de middelbare school, Cees van der Neut, bij me langs in het ziekenhuis. Hij was er een half uurtje, maakte aanstalten om te vertrekken en zei: ‘Carlo, kan ik nog iets voor je doen?’ Ik antwoordde. ‘Nou, ik ben op school verre van de populairste jongen. Ik kom straks terug met een kale kop en groot litteken. Verstoppen is niet mogelijk. Dat wil ik ook niet. Ik ben vroeger nogal gepest, ook op school. En ik heb daar even genoeg van. Ik wil de komende tijd liever niet weer met pesterijen te maken krijgen.’

Carlo weet niet wat zijn leraar tegen de klas heeft gezegd, maar dat hij zijn klasgenoten met effect had toegesproken, bleek bij terugkomst op school. ‘De eerste dag na de kerstvakantie ging ik met mijn kale kop weer naar school. Bij het fietsenrek trof ik de ongekroonde ‘koning’ van de school. Een medeleerling, Mark. De jongen die op dat moment alles was wat ik niet was. Hij zei: ‘Hé Carlo, hoe gaat het?’ Dat was het. Gewoon goed bedoeld. Ik heb daarna nooit meer vervelende woorden naar mijn hoofd gekregen, van niemand.’

Weerbaarheid

Ziek of anders zijn geeft pijn en ellende. Het geeft je het gevoel beoordeeld en veroordeeld te worden om iets waar je zelf ook niet om hebt gevraagd. Toch brengt het Carlo ook iets krachtigs: weerbaarheid. ‘Weet je, als iets vervelends maar lang genoeg duurt, leer je ermee leven. Weerbaarheid is op boksles gaan, maar bij mij zit de weerbaarheid meer in het innerlijke: ik heb mij niet laten weerhouden van dingen die eigenlijk niet kunnen. Toen niet en nu niet. Een voorbeeld: mijn voeten zitten door de geboorteafwijking anders in elkaar. Maar ik heb in 1986 toch maar mooi de marathon in Rotterdam gelopen.

Ik ben niet kerkelijk gelovig, in de strikte zin van het woord. Ik ben er wel heilig van overtuigd dat Rama Polderman en Cees van der Neut op mijn pad zijn gekomen om iets tegenover het leed te stellen. Als een soort compensatie. Door het gevoel dat er iets diepers achter heeft gezeten, dat ik hen ben tegenkomen of zij mij, zie ik mezelf ook als een geluksvogel. Het zet iets tegenover het verdriet en de frustratie die ik heb gevoeld om de veroordeling wegens iets waar ik zelf ook niet om heb gevraagd. Kijk, als je je gedraagt als een klootzak, dan beoordelen anderen je op hoe je je manifesteert. Ik ben geen klootzak. Althans, meestal niet. Ik zie er gewoon anders uit dan de gemiddelde man. Nou en?’