Brave people dare to share

Blog

#NoFilter

Geadopteerde geluksvogel

‘Pinda!’ Kinderen van mijn leeftijd riepen het me wel eens toe. We hebben het over de jaren tachtig. Als volwassene kan ik me geen lievere koosnaam bedenken. Maar destijds kon je me niet meer kwetsen dan door me zo te noemen. Voelde het als een scheldwoord. Wás het een scheldwoord. Het betekende dat ik anders was. Ik had een ander kleurtje. Ik kwam uit een ander land. Ik had een andere voorgeschiedenis. Anders zijn is eenzaam op die leeftijd.

Als vijf maanden oude baby ben ik geadopteerd uit Indonesië. Van gewoonten en gevoelens die ik nooit goed had kunnen thuisbrengen begon ik als puber te vermoeden dat ze simpelweg in mijn DNA zaten. Niet aangeleerd, maar gratis meegekregen bij m’n geboorte. De gewoonte om op een bepaalde manier gehurkt te zitten bijvoorbeeld. Het werd door mijn witte, Nederlandse gymleraar genadeloos afgestraft (“als je je knieën wilt ruïneren, moet je vooral zo doorgaan”). Later zag ik dezelfde houding vaker wel dan niet terug bij andere Aziatische mensen. Er is zelfs een naam voor: Asian squat. Iets met flexibele(re) enkels. Ik at vanaf kinds af het liefst met m’n vingers, ondanks de opvoeding die ik van mijn adoptieouders had gehad om dat ‘netjes met mes en vork’ te doen. Ik werd voor gek verklaard dat ik altijd op blote voeten liep. Mijn hele jeugd voelde ik me raar, omdat ik van nature dingen deed die volgens de Hollandse cultuur waarin ik opgroeide niet ‘hoorden’. Ik voelde me ontheemd, omdat ik me in niemand herkende. Zelfs niet in de mensen die voor mij zorgden als hun kind.

Als jongvolwassene dacht ik steeds vaker na over mijn afkomst. Op zoek naar mijn identiteit, zoals je dat doet als jongvolwassene. Ik dacht aan de moeder die ik in Indonesië had achtergelaten. Mijn biologische moeder. Mijn geboorteland. Tot dan toe was me herhaaldelijk door anderen ingepeperd wat een geluksvogel ik wel niet was. Ik was toch maar mooi aan dat kansloze bestaan in een arm land ontsnapt. Daarbij was ik slechts vijf maanden oud toen ik werd geadopteerd, dus heimwee was taboe. Wie of wat moest ik dan missen? De vrouw die mij had gebaard en vervolgens doodleuk had weggegeven? Een land dat mij niets te bieden had dan armoede? Een cultuur die ik niet kende? En hallo, had ik er niet een paar geweldige ouders voor teruggekregen? True. Maar ik kon het gevoel niet onderdrukken dat ik iets miste. Toch was ik het vooral zélf, die de impact van de breuk met mijn moeder, mijn familie en mijn vaderland onderschatte. Mijn allereerste ervaring in dit leven was traumatisch geweest. Een oerverwonding. Maar ik stond het mezelf niet toe te rouwen. En zo werd eenzaamheid een gevoel dat er niet mócht zijn.

Vele zelfanalyses, therapiesessies, schrijfsels, literatuur, ervaringsuitwisselingen met andere geadopteerden en zelfs een zoektocht naar mijn biologische familie later (mijn moeder is getraceerd in 2016, maar was tragisch genoeg zes dagen daarvoor overleden), kan ik nu op mijn drieënveertigste zeggen dat ik mijn adoptie een plek heb kunnen geven: pal naast dat gat in mijn ziel. Dat ik nu definieer als een eenzaam gevoel dat er best mag zijn en bij me hoort. Een gevoel dat me mede heeft gevormd tot wie ik ben.

Gelukkig maar. Op zich.

Reacties

Jouw e-mailadres blijft voor anderen onzichtbaar.
Abonneer
Laat het weten als er
guest
0 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties

Deel dit artikel via:

Share on facebook
Facebook
Share on twitter
Twitter
Share on linkedin
LinkedIn
Share on email
Email
Share on whatsapp
WhatsApp