Geplaatst op Geef een reactie

Irene: ‘Mensen die als familie voelen helpen tegen de eenzaamheid’

Er zijn allerlei fases in je leven waarin je je eenzaam kan voelen. De basisschooltijd, de puberteit, de studententijd. Toch zijn dat ook de fases waarin er voortdurend van je verwacht wordt dat je aan je sociale leven werkt. Dat je samen speelt, samen werkt en samen bent. Een gesprek tussen Irene en Irene over onzekerheid, vriendschap en identiteit.

Link naar het verleden

‘Ik ben enig kind, mijn vader is een aantal jaar uit beeld en mijn moeder werd vier jaar geleden erg ziek. Gelukkig gaat het nu goed met mijn moeder, maar haar ziek-zijn heeft het gevoel van eenzaamheid op scherp gezet. Het besef dat het lijntje met de familie straks veel dunner is, houdt me soms erg bezig. Dan ben ik bang voor het onwerkelijke gevoel bij niemand meer te horen zonder de aanwezigheid van mijn ouders. Ik heb een eigen gezin met een lieve man en kinderen waar ik erg dankbaar voor ben. Maar toch: op de een of andere manier heb je het contact met je ouders als een link naar het verleden nodig.’

Eyeopener

Gedurende haar leven vindt Irene mensen die veel voor haar betekenen. ‘Mijn eyeopener: door de situatie met mijn ouders weet ik dat ik het vooral moet hebben van mensen die echt als familie voelen. Ik realiseer me dat ik veel geluk heb dat deze mensen er voor mij zijn. Het zijn echter niet alleen de goede vrienden, maar ook mijn eigen gezin en andere familieleden zoals ooms en tantes en nichtjes en neefjes die mij helpen om mij niet eenzaam te voelen.

Die mensen leren mij vanuit iets negatiefs iets positiefs te halen. Het zijn niet alleen mensen in nabijheid maar vooral mensen die je een spiegel voorhouden. Dat is niet vanzelfsprekend, dat je dat bij elkaar vindt. Ruzie hoort ook bij vriendschap. Of, nu ja: een meningsverschil of aanvaring hebben en scherpe gesprekken voeren. Je moet elkaar kunnen aanspreken. Uit alle levensfasen heb ik vrienden: van de basis- en middelbareschooltijd, de studententijd en het zwangerschapsclubje acht jaar gelegen. Ook oud-collega’s met wie ik nog bevriend ben. Soms verwatert een vriendschap en soms bloeit het contact weer op. Zoals met een oude vriendin van wie de moeder nu ernstig ziek is. Dit is aanleiding geweest voor het weer opleven van ons contact.’

Spiegel

Er voor elkaar zijn, een spiegel voorhouden: dat is zoals Irene een vriendschap het liefst ziet. Maar is dit ook de definitie van anderen? ‘Als je niet goed met anderen in verbinding bent, hoeft het van mij ook niet zo. Ik wil kunnen uitwisselen hoe het echt met je gaat, wie je bent. Er moet energie en ruimte zijn voor elkaar. Tijd en aandacht. Daarom heb ik de laatste jaren bewust meer geïnvesteerd in mensen die als een soort familie voelen. Mensen bij wie de onvoorwaardelijkheid voorop staat. Mensen die altijd iets voor je zullen doen. Maar zulke mensen zijn er in mijn leven niet altijd geweest. Tijdens mijn schoolloopbaan voelde ik me vaak onzeker. Het hield me bezig of ik er wel bij hoorde en soms voelde dat niet zo. Maar gelukkig soms ook wel. Dat gevoel van er niet bij horen kwam regelmatig terug in mijn jeugd. Aan de andere kant: bijna iedere jongere voelt zich weleens onveilig of onzeker. Dat hoort ook bij jong zijn.’

Helpende keuzes

‘Een helpend moment in mijn jeugd was dat ik bij het paardrijden een meisje van school tegenkwam. Ik merkte bij haar dat ik de zinnen kon verzetten zonder de groep waar ik tot dan toe steeds mee optrok. Ik hing te veel aan die groep en kon door het contact met het ‘nieuwe meisje’ de mensen waar ik geen echte verbinding mee had, loslaten. Ik adviseer jongeren dan ook om te kiezen voor een sport of andere vereniging waar niet iedereen van school ‘op zit’. Weet je, als je wel op zo’n plek bent, neem je de hele hiërachie uit de klas mee. Kies voor iets dat losstaat van school. Laat je niet vastspijkeren aan de rol die je op school hebt. Het kan heel fijn voelen om eens op een totaal andere interesse of kwaliteit aangesproken te worden. Maar dat vraagt wél wat van je.

Het betekent ook mensen loslaten die in een bepaalde tijd belangrijk waren, zoals mensen uit je middelbareschooltijd of het studentenhuis. Denk goed na: doet het contact me goed of doet het me eigenlijk slecht? Dat is heel moeilijk en pijnlijk soms. Toch kun je beter een of twee fijne mensen om je heen hebben dan tien die amper of niks voor je doen. Besef ook wie je tegenover je hebt: waar is iemand mee bezig en wat zijn de dingen die jullie delen? Als het contact met anderen je onzeker maakt of alleen maar een vervelend gevoel heeft, moet je ermee stoppen. Het klinkt zo economisch, maar het is waar: dit soort keuzes brengen je echt wat en maken je sterk.’

 

Geplaatst op 3 Reacties

Carlo: ‘Dat bepaalde mensen op je pad komen, heeft een bedoeling’

Carlo Nijveen is journalist en prijst zich gelukkig met enkele goede vrienden om zich heen. Zielsverwanten noemt hij de mensen met wie hij soms al een decennialange band heeft. Hoe zeldzaam kunnen ontmoetingen eigenlijk zijn? Over deze vraag gaat Irene met Carlo in gesprek.

Doodziek

Al vroeg in zijn leven komt Carlo twee zeer bijzondere personen tegen, die hem voor altijd na aan het hart zullen liggen. ‘Op mijn negende werd ik heel erg ziek. Ik belandde in het ziekenhuis. De artsen wisten niet wat ze met mij aan moesten. Ze dachten dat het leukemie was, omdat ik niet goed reageerde op bloedtransfusies en alleen maar zieker werd. De boodschap voor mijn ouders was uiteindelijk een hard gelag:  ‘We kunnen niks meer doen, neem uw zoon maar mee naar huis.’

Eenmaal weer thuis lag ik doodziek op bed. Mijn ouders konden niets anders dan zich wanhopig voelen en elkaar aanstaren. Maar plots kwam er die ingeving, dat laatste sprankje hoop. Eerder hadden mijn ouders Rama Polderman op televisie gezien, een homeopathisch arts uit Baarn. Zo gebeurde het dat Polderman ‘s avonds werd gebeld door mijn moeder. Ze had zijn nummer gevonden in het telefoonboek. ‘Waar wonen jullie?’, vroeg hij. ‘Kortenhoef.’, was het antwoord. ‘Ik kom eraan’, zei Polderman, hoorde ik later.’

Goocheltrucs

En zo verscheen de arts, die ook verspreider van de oosterse filosofie en yoga bleek én wereldkampioen goochelen, aan bed bij de doodzieke Carlo. ‘Ik kan mij niet herinneren dat hij aan mijn bed heeft gestaan, of wat er in die periode van ongeveer twintig minuten  precies is gebeurd. Maar de navertelling van mijn ouders liegt er niet om. Die hoorden tijdens het doktersbezoek plots kindergelach uit mijn kamer komen. Daar aangekomen, zagen zij dokter Polderman op de rand van mijn bed goocheltrucjes doen.’

Na dit wonderlijke consult kon de reguliere kinderarts bij de eerstvolgende controle in het ziekenhuis bijna niet geloven dat het jongetje dat eerder zo verschrikkelijk ziek was, zo snel was hersteld en weer gezond bleek te zijn. ‘Oom Rama, want zo ben ik hem sinds de eerste ontmoeting blijven noemen, heeft de familie Nijveen daarna ook bij diverse andere medische problemen  geholpen. Van een zalfje voor nare uitslag tot zelfs het voorkomen van een operatie aan de pols van mijn vader, een bekend violist. Door middel van acupunctuur. De heling zat niet alleen in een dokterstas; ik zweer bij de helende kracht die van deze man uitging.’

Kale kop

Carlo ondergaat al op zeer jonge leeftijd meerdere ingrijpende plastisch chirurgische ingrepen. Zo wordt hij als peuter meermaals aan zijn handen geopereerd, wegens een geboorteafwijking. Op zijn vijftiende vindt een risicovolle esthetische operatie aan Carlo’s hoofd plaats. ‘Ik herinner het me goed. Ik had als gevolg van die geboorteafwijking een grote bult op mijn voorhoofd en had beslist dat ik daar vanaf wilde. Ik belandde bij dezelfde chirurg die eerder mijn handen had geopereerd (tussen mijn 2e en 5e  levensjaar). Er kleefde veel risico aan de operatie aan mijn hoofd. Aan je hoofd zitten is nogal wat. Maar ik ging ervoor. Mijn hoofd werd kaalgeschoren, ik lag 7 uur op de operatietafel en ontwaakte met een litteken van oor tot oor, over mijn schedeldak.

Het was december, kersttijd.  Op een avond kwam mijn docent Nederlands en mentor van de middelbare school, Cees van der Neut, bij me langs in het ziekenhuis. Hij was er een half uurtje, maakte aanstalten om te vertrekken en zei: ‘Carlo, kan ik nog iets voor je doen?’ Ik antwoordde. ‘Nou, ik ben op school verre van de populairste jongen. Ik kom straks terug met een kale kop en groot litteken. Verstoppen is niet mogelijk. Dat wil ik ook niet. Ik ben vroeger nogal gepest, ook op school. En ik heb daar even genoeg van. Ik wil de komende tijd liever niet weer met pesterijen te maken krijgen.’

Carlo weet niet wat zijn leraar tegen de klas heeft gezegd, maar dat hij zijn klasgenoten met effect had toegesproken, bleek bij terugkomst op school. ‘De eerste dag na de kerstvakantie ging ik met mijn kale kop weer naar school. Bij het fietsenrek trof ik de ongekroonde ‘koning’ van de school. Een medeleerling, Mark. De jongen die op dat moment alles was wat ik niet was. Hij zei: ‘Hé Carlo, hoe gaat het?’ Dat was het. Gewoon goed bedoeld. Ik heb daarna nooit meer vervelende woorden naar mijn hoofd gekregen, van niemand.’

Weerbaarheid

Ziek of anders zijn geeft pijn en ellende. Het geeft je het gevoel beoordeeld en veroordeeld te worden om iets waar je zelf ook niet om hebt gevraagd. Toch brengt het Carlo ook iets krachtigs: weerbaarheid. ‘Weet je, als iets vervelends maar lang genoeg duurt, leer je ermee leven. Weerbaarheid is op boksles gaan, maar bij mij zit de weerbaarheid meer in het innerlijke: ik heb mij niet laten weerhouden van dingen die eigenlijk niet kunnen. Toen niet en nu niet. Een voorbeeld: mijn voeten zitten door de geboorteafwijking anders in elkaar. Maar ik heb in 1986 toch maar mooi de marathon in Rotterdam gelopen.

Ik ben niet kerkelijk gelovig, in de strikte zin van het woord. Ik ben er wel heilig van overtuigd dat Rama Polderman en Cees van der Neut op mijn pad zijn gekomen om iets tegenover het leed te stellen. Als een soort compensatie. Door het gevoel dat er iets diepers achter heeft gezeten, dat ik hen ben tegenkomen of zij mij, zie ik mezelf ook als een geluksvogel. Het zet iets tegenover het verdriet en de frustratie die ik heb gevoeld om de veroordeling wegens iets waar ik zelf ook niet om heb gevraagd. Kijk, als je je gedraagt als een klootzak, dan beoordelen anderen je op hoe je je manifesteert. Ik ben geen klootzak. Althans, meestal niet. Ik zie er gewoon anders uit dan de gemiddelde man. Nou en?’

Geplaatst op Geef een reactie

Papier en sleutel: deel kwetsbaarheid

Als ik heel eerlijk ben, vind ik mezelf ‘sociaal beperkt’. Als kind al, voelde ik me goed in mijn eentje, tussen boeken en schriften. Al schrijvend voelde ik me veilig. Papier aanvaardde. Papier legde geen druk op. En, misschien wel het allermooiste: op papier kon alles!

Papier

Wat een vrijheid. Papier had nooit commentaar op het ‘bomma-poedel-kapsel’, zoals mijn klasgenootjes spottend naar mijn haar verwezen. Papier hoorde mijn piepstemmetje niet en lachte me er dus ook niet mee uit. Papier nam me serieus en was geïnteresseerd in me. Papier stelde me in staat contact te leggen met mijn eerste grote liefde. Jurgen. Op papier leken we een kans te hebben. In werkelijkheid wist ik niet hoe me te gedragen. Een brief maakte het uit met me, nog voor er iets had kunnen bloeien. En toen werd papier het vat voor mijn eerste liefdesverdriet, voor gedachten en gevoelens waar ik anders geen blijf mee wist.

Misschien was papier altijd al mijn beste vriend en levenspartner.

Eindelijk volwassen

Als volwassene werd het makkelijker contacten te leggen. Pesten werd eerder een soort van speels plagen. Of passieve agressiviteit. Ik dronk regelmatig alcohol. Die hielp me om me op feestjes meer op mijn gemak te voelen tussen een hoop vage kennissen of collega’s die ik graag mijn vrienden wilde noemen. En toch heb ik me altijd eenzaam gevoeld, al ben ik dat pas in de afgelopen paar jaren gaan beseffen. Zowel vriendschappen als relaties leken gebaseerd op activiteiten die we leuk vonden om samen te doen. Gezamenlijke hobby’s, interesses, projectjes, reizen, favoriete maaltijden.

 Alsof relaties een kader nodig hebben waarbinnen ze kunnen bestaan. Zonder dit kader, blijft er een smeulend hoopje eenzaamheid achter.

Mens-zijn

Natuurlijk is het fijn als je interesses en meningen deelt. Alleen zou het, volgens mij, geen voorwaarde mogen zijn voor verbondenheid. Verbondenheid zit hem juist in het mens-zijn. Wat heb je meer nodig aan gemeenschappelijkheid dan dat? Verbondenheid is een inherent onderdeel van het samen-zijn, niet enkel van het samen-doen.

Verder geloof ik ook dat een teveel aan activiteiten ons juist afleidt van de relatie zelf. Corona maakt dit nu mogelijk pijnlijk zichtbaar. Veel activiteiten zijn niet mogelijk door corona. We kunnen niet onbezorgd samenhokken om een film te kijken of gezelschapsspelletjes te spelen. Doordat die activiteiten wegvallen, zie ik de vrienden niet meer met wie die activiteiten het enige waren wat we gemeen hadden. Sommige van mijn vrienden verdwenen het afgelopen jaar zelfs stilletjes helemaal uit mijn leven. De vriend met wie ik graag horrorfilms kijk en gezelschapsspelletjes speel. De vriendin met wie ik eens per maand een koffie ging drinken in de stad. Of het bevriende koppel dat wij enorm graag hebben maar dat elke keer opnieuw uit ons leven verdwijnt als wij geen initiatief nemen. Het is oké. Het doet pijn en het is oké. Verbondenheid vereist immers ook bereidheid. De bereidheid om in contact te blijven, ‘in te checken’ bij de ander.

“Hoe voel je je vandaag?” als uitnodiging tot verbondenheid.

Gelijkenissen en verschillen

We willen graag ‘bijzonder’ zijn. De één al wat meer dan de ander. Dat ‘speciaal’ willen zijn is het gif dat verbondenheid doodt. Ook het gevoel anders te zijn, staat verbondenheid in de weg. Sommige mensen hebben het gevoel dat niemand kan begrijpen hoe zij zich voelen. Het zijn vaak mensen die, misschien door depressie, schaamte of een introvert karakter, in hun hoofd zitten. Ze delen weinig met anderen. En terwijl ze misschien net snakken naar verbondenheid en steun, sluiten ze anderen uit, waardoor ze zich vervreemd voelen.

Niemand kan mij begrijpen.”

Bam! Deur dicht.

Sleutel

Hoe zou het voelen als iemand je vroeg: “Ik vind het moeilijk, maar mag ik je proberen uit te leggen hoe ik me voel en waarom?” Wat mij betreft is dit een uitnodiging tot verbondenheid. Ik denk dat we anderen wat vaker een inkijk mogen geven in hoe we ons écht voelen. Aan anderen mogen vragen: “Voel jij je soms ook zo?” of zelfs gewoon: “Hoe voel jij je?” in plaats van “Hoe gaat het?” Misschien voel je je dan kwetsbaar. Maar die kwetsbaarheid is nou juist de sleutel naar verbondenheid. Je kwetsbaar opstellen door je zielenroerselen te delen, laat de ander zien dat je net zo bent: ook maar een mens die probeert het hoofd te bieden aan de omstandigheden die het leven ons soms voor de voeten werpt.

Een vriendin van me zei het eens heel mooi: de ander hoeft niets anders te doen dan te luisteren en er te zijn. Ze hoeft je zorgen niet van je over te nemen. Soms is ‘samen in de modder zitten’ al genoeg. Dan voel je je niet meer alleen.


Over de gastblogger

Met een graad in de orthopedagogiek is de Vlaamse Mandy gebeten door persoonlijke ontwikkeling. Daarnaast heeft ze een groot hart voor thema’s als duurzaamheid en verbondenheid. Mandy werkt als freelance copywriter. Ze heeft haar eigen blog en is vindbaar op LinkedIn.